grondgebruik

Na de ontwatering van de Alblasserwaard door de aanleg van dijken en kades kwamen veenweidegronden beschikbaar welke voor een groot deel in cultuur werden gebracht voor de akkerbouw en later voor veeteelt. Aan de buitenranden van de waard werden aan de zuidkant door aanzanding buitendijks gelegen gronden in gebruik genomen door industriële bedrijven. De bewoners van de Alblasserwaard hadden aan het begin van de 11e eeuw hun inkomsten uit akkerbouw, veeteelt, visserij, vogelvangst en later ook uit scheepsbouw en waterbouwkundige werken.

Agrarisch grondgebruik

Na het droogleggen van de veengronden werd op de akkers onder meer broodgraan geteeld en hield men zich bezig met de verbouw van hennep. Maar ook de visserij en de vogelvangst (eendenkooien) zorgden voor broodwinning. In Giessenburg staat nog een voormalige stoomgraanmaalderij en veekoekenfabriek (De Samenwerking) uit 1911.

Het hennep werd geteeld voor de fabricage van touw en zeildoek ten behoeve van de zeilvaart. Deze hennepteelt werd op bemeste grond vlak achter de boerderij gedaan. Bij de productie van hennep werden de stelen uiteengerafeld en gedroogd. Dit gebeurde in aparte braakhutten die vanwege het brandgevaar een stuk bij de boerderij vandaan werden gebouwd. Met de komst van stoommachines verdween de hennepteelt, zeilen waren niet langer meer nodig en de kabels van touw werden vervangen door staalkabels.

Een andere activiteit was de griendteelt. Dit gebeurde op natte gronden welke niet geschikt waren voor de teelt van andere producten. Het 1-jarige wilgenhout kwam uit de snijgrienden en werd gebruikt als snijteen voor de mandenmaker. Het 3-4 jarige wilgenhout kwam uit hakgrienden. Dit hout werd gebruikt voor manden en hoepels (Ameide en Hardinxveld), voor boerengeriefhout (zoals stelen en hekken) en voor zinkstukken (Sliedrecht). De zinkstukken bestaan uit gevlochten matten werden gebruikt bij de versterking van dijken en andere waterwerken. De stortstenen voor de zinkstukken kwamen uit Papendrecht.  De hoepels werden ook geëxporteerd naar landen met een visverwerkende industrie zoals Engeland en Denemarken.

Op het terrein van museum de Koperen Knop in Hardinxveld-Giessendam staat een huisje met daarin een hoepelmakerij. Hier wordt het oude ambacht van hoepelmaker gedemonstreerd.

De griendteelt is na de komst van kunststof sterk afgenomen. Maar ook nu nog vindt er op beperkte schaal griendteelt plaats. 

In de 11e eeuw werd op de rivieren al gevist naar steur en zalm. In de binnendijks gelegen veenwateren werd op paling gevist. Door de ligging van Woudrichem hadden de vissers daar het voorrecht om in de rivieren Maas, Waal en Merwede zalm te vangen. Papendrecht had zijn eigen zalmvisserij, een historische beschrijving is te vinden in Papendrecht en zijn rivierenvisserij. De oudste manier om zalm te vangen was met een steek, een houten schutting van wilgenhout die in de rivier werd gezet en waar een fuik aan was vastgemaakt. Ook werd er met netten en zalmschouwen gevist.

De vogelvangst voorzag ook in de broodwinning. In dieper landinwaarts gelegen gronden werden op plaatsen met kwelwater en weinig vruchtbare grond eendenkooien aangelegd. Het kwelwater zorgde voor verversing van de bron en bevroor ook minder snel hetgeen de eenden lokte die uit het noorden hier kwamen overwinteren. Een eendenkooi was omgeven met een rand van lage begroeiing (hakhout) en had meestal vier vangarmen.  Op het hoogtepunt waren er wel 150-200 eendenkooien in de Alblasserwaard. Nu zijn er nog maar enkele van over. Door boomgroei zijn de eendenkooien nu geheel aan het zicht onttrokken, maar daarmee van een afstand wel goed herkenbaar in het polderlandschap.

Veeteelt

Door de maaivelddaling en de hogere waterstanden moest worden omgeschakeld van akkerbouw naar veeteelt. De boerderijen werden op verhogingen gebouwd zoals woonheuvels en terpen. Ook op dijken en stroomruggen werd gebouwd, waaruit de typische lintbebouwing is voortgekomen.  De veeteelt leverde melk welke de boer verkocht of er kaas van maakte. De kaas werd verkocht op grote kaasmarkten in de regio (Vianen, Groot-Ammers, Hoornaar en Gorinchem). Later werd de melk in grote zuivelfabrieken (Bleskensgraaf) verwerkt.  

Men hield zich ook bezig met het verhandelen van koeien en paarden. Zo ontstonden stalhouderijen en veemarkten. Bekende evenementen zijn de paardenmarkt in Alblasserdam en de fokveedag in Hoornaar.

Naast weiland was er op de meer schralere stukken ook hooiland, wat een enkele keer per jaar werd gemaaid. Dit gemaaide hooi werd op het land gedroogd op zogenaamde hooihoppers en daarna opgeslagen in een hooischuur of hooiberg.

Met de komst van mechanisatie en de daarmee gepaard gaande ruilverkaveling is het slagenlandschap (copen) zoals bij de ontginning is ontstaan deels verdwenen. De boer kon door de ruilverkaveling zijn gronden beter bereiken en het verkeer in de lintbebouwing werd zo meer ontzien.

Industrieel grondgebruik

Aan de zuidkant van de Alblasserwaard ontstonden door verzanding buitendijkse gronden welke in gebruik werden genomen door watergebonden industrieën zoals de scheepsbouw en havencomplexen en door bedrijven in grond- en waterbouwkundige werken. In de 20e eeuw groeide deze industrie hard en bood veel werkgelegenheid aan de bewoners van de Alblasserwaard. Deze grootschalige bedrijven vestigden zich langs de Merwede (Hardinxveld, Sliedrecht, Papendrecht) en Noord (Alblasserdam). Enkele blikvangers in de verstedelijkte rand van de Alblasserwaard zijn de scheepswerven in Hardinxveld, de baggerindustrie in Sliedrecht en Papendrecht (Volker, Bos, Kalis), de staalfabriek en scheepswerven (18e eeuw Pot en Fop Smit, later Verolme) in Alblasserdam.

In polder Nieuwland tussen Papendrecht en Alblasserdam is sinds enkele jaren een containeroverslagbedrijf gevestigd waar containers uit het Rotterdamse havengebied worden overgeladen op binnenvaartschepen.


Bronnen:
De Alblasserwaard door C.L. van Groningen
Wikipedia