ontginning en afwatering

De ruige veenmoerassen in de Alblasserwaard werden vanaf de 11de eeuw in cultuur gebracht door verwijdering van de begroeiing en de aanleg van een afwateringssysteem. Dit ontginningswerk werd gedaan door kolonisten welke stukken land (kavels) toebedeeld kregen. Deze kavels bestonden uit stroken van ruim 100 meter breed en met een diepte van 1200 tot 3000 meter. De diepte van de ontginningskavels werd bepaald door de ontginningsassen tussen de rivier de Lek, de veenriviertjes de Alblas en de Giessen en de rivier de Merwede.

Polder Streefkerk met in het midden de Oude Weteringmolen en rechtachter de Achtekant molen en de Kleine molen.

Door het graven van greppels en sloten en de aanleg van kades en lage dijken werden deze kavels geschikt gemaakt voor landbouw. De langgerekte stroken land werden ook ‘copen’ genoemd en vormden met elkaar het zogenaamde slagenlandschap.

Dwars op de greppels en de kavelsloten werden weteringen gegraven, vanaf de dijk gezien waren dit een voorwetering en een achterwetering en bij lange kavels soms ook een middenwetering.

Foto: polder Streefkerk met in het midden de Oude Weteringmolen en rechtachter de Achtekant molen en de Kleine molen.

In de lengterichting van de kavels werden oude waterlopen verbreed of nieuwe gegraven (vliet) voor directe afwatering op de rivieren of afvoer van het water via veenriviertjes naar de randen van de waard waar het water direct op de rivieren de Merwede en de Lek werd geloosd.

Rond 1270 werd de ontginning als voltooid beschouwd en was sprake van een natuurlijke afwatering, waarbij het overtollige water naar de laagste delen van de waard stroomde. Dit kwam door de afhelling binnen de waard van oost naar west waarbij de westelijk gelegen delen hinder ondervonden van het overtollige water uit de oostkant van de waard zoals de hoger gelegen Vijfheerenlanden.

Daarnaast stroomde het water vanaf de rivieren weer de waard in wanneer het peil in de rivieren hoog was, bijvoorbeeld door smeltwater in de winter. Om de waard beter te beschermen tegen deze wateroverlast en overstromingen werd in 1277 een overeenkomst getekend tussen graaf Floris de V van Holland en de heren van Holland om een ringdijk om de waard aan te leggen.  Op dit moment werden ook  het Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de waterschappen de Nederwaard en de Overwaard opgericht welke toezicht moesten houden op het onderhoud van de watergangen en omdijkingen.

kaartje met dijken anno 1277

De omdijking werd eerst uitgevoerd aan de oostelijke kant waar een dijk werd aangelegd tussen de Lekdijk en de donk bij Hoogblokland. Vanaf de donk in Hoogblokland werd de dijk doorgetrokken naar Hoornaar en van daaruit naar de oevers van de Giessen en overgaande naar de Merwede. In het westelijk deel werd een dijk aangelegd tussen de Lek en de Merwede, het noordelijk deel van deze dijk (Zijwinde) is is nog zichtbaar in het landschap. De nu nog aanwezige wielen bij de Bazeldijk en de Zijdeweg getuigen van toenmalige dijkdoorbraken. Op het kaartje de omdijking van de Alblasserwaard in 1277.

De veenriviertjes de Alblas en de Giessen zorgden in eerste instantie voor de afvoer van het water. Het stroomgebied van de Alblas was bekend als de Nederwaard en dat van de Giessen als de Overwaard. Om instroom vanuit de rivieren tegen te gaan werden dammen aangelegd in de riviertjes de Alblas (1280) en de Giessen (1281). Door de ontginning en inpoldering is het veengebied gaan zakken door de onttrekking van water aan het veen. De daling van het maaiveld wordt geschat op maar liefst 1,5 meter in een periode van 700 jaar.

In 1367 werd de afwatering van de Overwaard verlegd naar de noordwestelijke hoek van de waard bij het plaatsje Elshout. Dit was het laagste punt van de Alblasserwaard waar het water nog bij laag tij op de rivier de Lek kon uitstromen. Deze afwatering gebeurde via de Elshoutsluizen. Voor deze afwatering werd de Groote of Achterwaterschap gegraven (1366). Deze waterloop fungeerde ook als boezem om overtollig water te bergen.

Kort daarna besloot ook het waterschap Nederwaard om een kanaal te graven om het water via de sluizen van Elshout op de Lek te lozen. Dit kanaal, de Nieuwe Waterschap (1369), werd vanaf het riviertje de Alblas gegraven in noordelijke richting om daarna evenwijdig aan de Groote of Achterschap richting Elshout te lopen, dit kanaal fungeerde ook als boezem om overtollig water te bergen. Beide boezems werden gescheiden door een dijkje (lage en de hoge boezem). Bij laag tij kon vanuit deze boezems (de hoge en de lage boezem) het water via de Elshoutsluis worden geloosd op de rivier de Lek.

De polders van Papendrecht, Nieuw-Lekkerland en Streefkerk vielen buiten de twee waterschappen en loosden zelf rechtstreeks op de rivier. Pas in 1981 ging de afwatering van de polders Nieuw-Lekkerland en Streefkerk via de Overwaard. In 1986 volgde Papendrecht met afwatering op de Nederwaard. 

Rond 1450 was natuurlijke afwatering door het hogere rivierpeil niet langer mogelijk en moest het water verder omhoog worden gebracht. Dit betekende de intrede van molens.

De afwatering met molens, sluizen en gemalen wordt nog in andere blogartikelen beschreven.


Bronnen:
De Alblasserwaard door C.L. van Groningen
Wikipedia
Kaartje omdijking 1277: maker onbekend